De Hongaarse vuile was (achter de Panama Papers) – deel 2

Met dank aan / ©: 444.hu
© 444.hu

Deel 2 van het opniestuk over de economisch grondslagen van het Fidesz-systeem

door Kasnyik Márton / 444.hu

Er bestaan twee type sectoren in de Hongaarse economie: eentje die met regeringsassistentie leeggeroofd wordt, en eentje waar je niet aan mag komen

Als dat zo is, waarom hebben ze dan nog niet alles verduisterd, of – in de woorden van Lánczi – toebedeeld aan de Hongaarse ondernemers? Het antwoord is simpel: het heeft alleen zin om aan die sectoren te komen, waar de winst gegarandeerd wordt, waar niet hoeft te worden geconcurreerd, waar innoveren niet nodig is, waar je niet hard hoeft te werken. Al vanaf het begin heeft de twee-derde meerderheidsregering van Fidesz de Hongaarse economische sectoren in tweeen verdeeld: een deel waar verduisterd kan worden, en een deel waar niet verduisterd kan worden

Ongeveer zo:

verduisteren

 

De ervaringen van de afgelopen zes jaar laten zien dat in bepaalde sectoren de regering op diverse manieren haar doelen probeert te bereiken. 1) Door de regels voortdurend te veranderen houdt ze zelfs de meest goedgelovige marktspelers in chronische onzekerheid; 2) Andere spelers wordt ronduit de oorlog verklaard; 3) Weer andere worden verboden; 4) Sommige krijgen strafbelastingen opgelegd; en 5) Tenslotte zijn er ook die onder dwang weer staatseigendom worden gemaakt. Als het zo uitkomt, worden de meest kapitaalkrachtige, vaak buitenlandse spelers verjaagd of doodgebloed. De regering kan zich vrijwel alles permiteren en meteen duiken de makkelijk te identificeren ‘begunstigden’ op, die profteren van de ingrepen.  In enkele van deze sectoren is diefstal het hoofddoel geworden – met name de teveel in rekening gebrachte kosten bij EU-geld (niet 20 tot 25 procent, maar zelfs 100 tot 130 procent) – wegenbouw en railinfrastructuur zijn daarvoor goede voorbeelden.

In andere sectoren kunnen de marktspelers soms weer rustig hun gang gaan, een enkele keer worden de buitenlandse investeerders – die kapitaal en technologie inbrengen – zelfs helemaal in de watten gelegd. Dit zijn de zogenaamde productie-sectoren, die vastomlijnde en in het buitenland verkoopbare producten produceren. Zo vaak hij maar kan laat de minister-president horen hoezeer hij van dergelijke tastbare dingen houdt en van het “produceren” an sich. Ook hier krijgen bepaalde actoren voorkeursbehandelingen, ook hier worden sommigen geholpen en andere benadeeld, maar de bedrijven hoeven tenminste niet bang te zijn voor de regering. Er is geen dreiging dat plotseling een vriendje van de regering op de stoep staat om de business over te nemen. Garancsi István gaat echt geen suzuki’s of pompringen produceren!

Veel Hongaarse ondernemers worden helemaal koud van deze tweedeling. Als je aan de linkerkant van de streep staat, kun je erop wachten dat je vroeg of laat onmogelijk wordt gemaakt, in het beste geval kun je een plekje krijgen aan de kortste eindje van een verknipte markt. Behalve als je vazal bent geworden, als je het juiste achterdeurtje hebt gevonden waardoor je geld terug kunt plaatsen op de goede plek (wat, afgezien van corruptie, ook een nieuw soort belasting is geworden). Ook aan de andere kant kun je niet gerust zijn, want niets garandeert dat jou sector niet af zal glijden tussen de ‘verduisterbare’.

Het is niet voor niets dat de regering vooral in die sectoren bezig is, waarvan de markt in Hongarije ligt – niet in het buitenland – en waar een eventuele buitenlandse mededinger niet uit het land kan wegvluchten. Net als dat het geen toeval is dat de sectoren die het minst te lijden hebben van dit soort corruptie, de sectoren zijn die veel bijdragen aan de export, en/of de sectoren die makkelijk naar het buitenland kunnen vertrekken, mochten ze worden tegengewerkt. (Een energiebedrijf, een telecommuncatiebedrijf of een bank, met investeringen die niet kunnen worden meegenomen, kunnen niet zomaar vertrekken – niet verwonderlijk dat in deze sectoren de sector-belastingen vielen. Een autofabriek kan veel makkelijker naar, bijvoorbeeld, Roemenie of Polen verhuizen als de regering zou beginnen met tegenwerken.)

De oplossing is eenvoudig. Voor de balans heeft de regering tot op zekere hoogte succesvolle export-sectoren nodig. In de sectoren waar export geen rol speelt, – of wel, maar dan zonder dat de resultaten verslechteren als de buitenlanders worden weggejaagd – daar is het vrij stelen geblazen.

Er zijn nog enkele grensgevallen, zoals het toerisme – dat tot nu toe met rust werd gelaten maar nu ook dreigt te worden gecentralkiseerd – of de logistiek, waar al een sterk Hongaars bedrijf zat, dat echter nu met hulp van de Hongaarse staat in beton gegoten wordt. Zo ook in de landbouw en levensmiddelen: hier is de export redelijk belangrijk, maar de productiefactor land kan toch niet worden overgebracht naar elders. Verder kan er op worden gerekend dat de land-gebonden EU-subsidies blijven komen, zodat ook hier de overheid geen interesse heeft om de marktwerking toe te staan. Sterker nog, in de provincie Fejér (thuisbasis van Orbán Viktor en vazal Mészáros Lörincongersman) is het net of de feodale verhoudingen weer terug zijn gekeerd. De IT-sector is een grensgeval omdat de staat zeer veel aanbestedingen doet op dit terrein, wat vaak tot verduistering leidt; aan de andere zijn er bedrijven die voor buitenlandse markten werken en die met rust worden gelaten.

Het valt niet te ontkennen dat de sectoren waarin Simicska Lajos (in ongenade gevallen voormalige hoofdoligarch van Fidesz – ongersman) actief was, en waarin sindsdien de nieuwe, vervangende Fidesz-vazallen op hun beurt hun rijkjes hebben kunnen opbouwen – de bouw, media, landbouw, energie, openbare werken (verlichting), financieel, toerisme – alle in de verduisterbare sector zitten.

Maar toch: wanneer houdt het eens op?

In het ideologische frame van het Fidesz-systeem was het tot nu toe genoeg om – als iemand eens hardop vroeg waarom er werd gestolen, waarom het bepaalde economische actoren onmogelijk werd gemaakt – te zeggen:  we doen dit voor de nationale ondernemers en voor het versterken van het binnenlandse kapitaal. Als die steun aan de nationale ondernemers nou plaatsvond zonder de concurrentieposities te beinvloeden, dan had het nog geloofwaardig kunnen wezen, maar zo is het niet. Openlijk wordt er een eigen netwerk van vazallen vetgemest in de kleptocratie die er is ontstaan.

De kring van begunstigde Hongaarse ondernemers rond Fidesz zou in een open markteconomie niet kunnen overleven, dat kunnen ze alleen maar als de staat hen direct financiert of als de staat met regelgeving een omgeving creeert, waarin de premies zonder problemen kunnen worden uitgeteld.

Inefficiente, langzame en slechte economische modellen bloeien in de verduisterbare sectoren, en dit wordt erger en erger.

Wanneer gaat de hoofdideoloog van Fidesz eens inzien, dat nu, jaren en jaren na de volledige krach van de “ballib” politieke infratructuur, er in dit land niets meer is wat geevenaard, gecompenseerd, ‘overstolen’ dient te worden? Dat ze met deze acties de nationale ondernemers in werkelijkheid kwaad doen en dat ze in de praktijk slechts types in stelling brengen – die niet alleen internationaal, maar zelfs nationaal geen enkele concurrentiepositie zouden kunnen innemen, maar wel – met hun geheel op stelen gefocusde, ideeloze instelling – allang een last van nationaal gewicht vertegenwoordigen?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.