Tag Archives: openbare aanbesteding

MNB: Algemeen fonds = vrij parkeren!

WachtNatuurlijk dient zelfs in het Hongarije van vandaag nog niet meteen elke oprisping van het kritische blogleger te worden overgenomen, als er weer eens geconstateerd wordt dat een politieke beslissing verregaande implicaties heeft of gaat krijgen. Al vaker is gebleken dat de fietser nooit zo plat wordt gereden, als dat hij wordt opgejaagd. Desalniettemin: de kwestie met de Hongaarse Nationale Bank klepperde al vanaf het begin hoorbaar met haar klepels!

Niet in de laatste plaats omdat er feitelijk maar weinigen zullen zijn die het echt zullen snappen. En dat weer niet in de laatste plaats omdat er zoveel dingen gebeuren waarvan de meeste mensen nooit weet zullen hebben. Waarmee maar weer eens het belang voor een doorzichtige democratie als basis voor een functionerende samenleving overeind staat – en daarmee dus het belang van een vrije pers en structureel inzicht in overheidsaangelegenheden. Waarmee we in één haal weer terugkeren bij een ander zeer puntje, dat enige tijd geleden al zijdelings even werd aangestipt: Hoezo vrije pers?

Even kort door de bocht voor wie het verhaal niet helemaal niet kent. De regering heeft al langer problemen met de kaste van aloude civiele organisaties, die door buitenlandse fondsen overeind gehouden werden: van Helsinki Committee voor de mensenrechten via groeperingen als Ökotárs milieu- en samenlevingsbouw, tot en met een oude spin in het maatschappelijke web als Soros met zijn Open Society. Daar kan Fidesz niet mee werken, zoveel is duidelijk.

De fondsen uit Brussel, de EU-subsidies aan de andere kant, zijn inmiddels meesttijds wel redelijk onder controle van de Partij gekomen. Allerhande ZRt’s, Kht’s en andere fijne gezwellen verzorgen de nationale versnijding en ompakking van alle substantiele geldstromen, waaronder: landbouwsubsidies; scholen en ziekenhuizen; natuurbescherming; weg- en waterbouw, op-, af-, om- en bijscholings- en -werkingsprogramma’s;  etc. En dan heb je ook nog fratsen als de contracten over kerncentrale Paks, die 20 jaar geheim zullen zijn.

De regering wil het dus allemaal anders gaan doen. Veel daarvan hebben we onder de noemer van de nationaal economische samenwerking, ofte wel het grote stelen al langs zien komen, maar deze nog niet. Het lijkt erop dat één van de problemen toch in de begrotingen zit: die zijn te openbaar. Er moet nog wat op worden gevonden om de samenleving direct te kunnen beinvloeden, zonder dat meteen elke criticus aan de bel trekt als er – ik noem maar wat – weer eens een paar miljoen geschoven wordt naar een bevriende mediaoutlet om de vuile politieke was te klaren.

En dat hadden – zo mooi –  die MNB-fondsen kunnen zijn. Want die waren – tot voor kort – anoniem en onbekend. Tot journalisten verbonden aan HVG en het portal Világgazdaság rechtzaken aan begonnen te spannen en tot de Kuria ging om hun gelijk te halen, afgelopen winter. En uitkwam dat het geld van de Nationale Bank wel gemeenschapsgeld was, en de managers ervan dus wel onderhevig aan het in het openbaar afleggen van rekenschap. Waaronder dus ook de stichtingen vielen die van dit geld werden bestierd, inclusief hun gebouwen en subsidiespotjes.

De HVG heeft nu de lijst met begunstigden gebracht van de verschillende stichtingen van de Hongaarse Nationale Bank (zie de blauwe links voor de zes pdf-files met nadere info). Omdat het dus – nogmaals, közpénz is. Gemeenschapsgeld. Vandaar het gewicht van die hele discussie. Feitelijk gaat het niet eens om zulke enorme grote hoeveelheden geld gaat, zeker niet in vergelijking met de EU-subsidies, bijvoorbeeld. Maar wel om gemeenschapsgeld.

En de fratsen van de MNB zijn er ook al niet minder aandoenlijk om. Het boekje over de zeer succesvolle aanpak van het Hongaarse model, bijvoorbeeld. Maar zeker ook de euro-miljoenensteun voor nieuwsportaal vs.hu, de alom gerespecteerde, maar nu ietwat gevreesde en geminachte opkoper van eens zo glorieuze, zelfstandige origo.hu. Maar daar hebben we het al eens kort over gehad.

Intussen buitelen de sappiger dan sappige infobits over elkaar heen en zegt oppositiepartij Együtt zegt aangifte te gaan doen van valsheid in geschrifte.

Wie heeft het toch steeds over offshore als je ook gewoon thuis lekker uit je dak kan gaan?

De Hongaarse vuile was (achter de Panama Papers) – deel 2

Met dank aan / ©: 444.hu
© 444.hu

Deel 2 van het opniestuk over de economisch grondslagen van het Fidesz-systeem

door Kasnyik Márton / 444.hu

Er bestaan twee type sectoren in de Hongaarse economie: eentje die met regeringsassistentie leeggeroofd wordt, en eentje waar je niet aan mag komen

Als dat zo is, waarom hebben ze dan nog niet alles verduisterd, of – in de woorden van Lánczi – toebedeeld aan de Hongaarse ondernemers? Het antwoord is simpel: het heeft alleen zin om aan die sectoren te komen, waar de winst gegarandeerd wordt, waar niet hoeft te worden geconcurreerd, waar innoveren niet nodig is, waar je niet hard hoeft te werken. Al vanaf het begin heeft de twee-derde meerderheidsregering van Fidesz de Hongaarse economische sectoren in tweeen verdeeld: een deel waar verduisterd kan worden, en een deel waar niet verduisterd kan worden

Ongeveer zo:

verduisteren

 

De ervaringen van de afgelopen zes jaar laten zien dat in bepaalde sectoren de regering op diverse manieren haar doelen probeert te bereiken. 1) Door de regels voortdurend te veranderen houdt ze zelfs de meest goedgelovige marktspelers in chronische onzekerheid; 2) Andere spelers wordt ronduit de oorlog verklaard; 3) Weer andere worden verboden; 4) Sommige krijgen strafbelastingen opgelegd; en 5) Tenslotte zijn er ook die onder dwang weer staatseigendom worden gemaakt. Als het zo uitkomt, worden de meest kapitaalkrachtige, vaak buitenlandse spelers verjaagd of doodgebloed. De regering kan zich vrijwel alles permiteren en meteen duiken de makkelijk te identificeren ‘begunstigden’ op, die profteren van de ingrepen.  In enkele van deze sectoren is diefstal het hoofddoel geworden – met name de teveel in rekening gebrachte kosten bij EU-geld (niet 20 tot 25 procent, maar zelfs 100 tot 130 procent) – wegenbouw en railinfrastructuur zijn daarvoor goede voorbeelden.

In andere sectoren kunnen de marktspelers soms weer rustig hun gang gaan, een enkele keer worden de buitenlandse investeerders – die kapitaal en technologie inbrengen – zelfs helemaal in de watten gelegd. Dit zijn de zogenaamde productie-sectoren, die vastomlijnde en in het buitenland verkoopbare producten produceren. Zo vaak hij maar kan laat de minister-president horen hoezeer hij van dergelijke tastbare dingen houdt en van het “produceren” an sich. Ook hier krijgen bepaalde actoren voorkeursbehandelingen, ook hier worden sommigen geholpen en andere benadeeld, maar de bedrijven hoeven tenminste niet bang te zijn voor de regering. Er is geen dreiging dat plotseling een vriendje van de regering op de stoep staat om de business over te nemen. Garancsi István gaat echt geen suzuki’s of pompringen produceren!

Veel Hongaarse ondernemers worden helemaal koud van deze tweedeling. Als je aan de linkerkant van de streep staat, kun je erop wachten dat je vroeg of laat onmogelijk wordt gemaakt, in het beste geval kun je een plekje krijgen aan de kortste eindje van een verknipte markt. Behalve als je vazal bent geworden, als je het juiste achterdeurtje hebt gevonden waardoor je geld terug kunt plaatsen op de goede plek (wat, afgezien van corruptie, ook een nieuw soort belasting is geworden). Ook aan de andere kant kun je niet gerust zijn, want niets garandeert dat jou sector niet af zal glijden tussen de ‘verduisterbare’.

Het is niet voor niets dat de regering vooral in die sectoren bezig is, waarvan de markt in Hongarije ligt – niet in het buitenland – en waar een eventuele buitenlandse mededinger niet uit het land kan wegvluchten. Net als dat het geen toeval is dat de sectoren die het minst te lijden hebben van dit soort corruptie, de sectoren zijn die veel bijdragen aan de export, en/of de sectoren die makkelijk naar het buitenland kunnen vertrekken, mochten ze worden tegengewerkt. (Een energiebedrijf, een telecommuncatiebedrijf of een bank, met investeringen die niet kunnen worden meegenomen, kunnen niet zomaar vertrekken – niet verwonderlijk dat in deze sectoren de sector-belastingen vielen. Een autofabriek kan veel makkelijker naar, bijvoorbeeld, Roemenie of Polen verhuizen als de regering zou beginnen met tegenwerken.)

De oplossing is eenvoudig. Voor de balans heeft de regering tot op zekere hoogte succesvolle export-sectoren nodig. In de sectoren waar export geen rol speelt, – of wel, maar dan zonder dat de resultaten verslechteren als de buitenlanders worden weggejaagd – daar is het vrij stelen geblazen.

Er zijn nog enkele grensgevallen, zoals het toerisme – dat tot nu toe met rust werd gelaten maar nu ook dreigt te worden gecentralkiseerd – of de logistiek, waar al een sterk Hongaars bedrijf zat, dat echter nu met hulp van de Hongaarse staat in beton gegoten wordt. Zo ook in de landbouw en levensmiddelen: hier is de export redelijk belangrijk, maar de productiefactor land kan toch niet worden overgebracht naar elders. Verder kan er op worden gerekend dat de land-gebonden EU-subsidies blijven komen, zodat ook hier de overheid geen interesse heeft om de marktwerking toe te staan. Sterker nog, in de provincie Fejér (thuisbasis van Orbán Viktor en vazal Mészáros Lörincongersman) is het net of de feodale verhoudingen weer terug zijn gekeerd. De IT-sector is een grensgeval omdat de staat zeer veel aanbestedingen doet op dit terrein, wat vaak tot verduistering leidt; aan de andere zijn er bedrijven die voor buitenlandse markten werken en die met rust worden gelaten.

Het valt niet te ontkennen dat de sectoren waarin Simicska Lajos (in ongenade gevallen voormalige hoofdoligarch van Fidesz – ongersman) actief was, en waarin sindsdien de nieuwe, vervangende Fidesz-vazallen op hun beurt hun rijkjes hebben kunnen opbouwen – de bouw, media, landbouw, energie, openbare werken (verlichting), financieel, toerisme – alle in de verduisterbare sector zitten.

Maar toch: wanneer houdt het eens op?

In het ideologische frame van het Fidesz-systeem was het tot nu toe genoeg om – als iemand eens hardop vroeg waarom er werd gestolen, waarom het bepaalde economische actoren onmogelijk werd gemaakt – te zeggen:  we doen dit voor de nationale ondernemers en voor het versterken van het binnenlandse kapitaal. Als die steun aan de nationale ondernemers nou plaatsvond zonder de concurrentieposities te beinvloeden, dan had het nog geloofwaardig kunnen wezen, maar zo is het niet. Openlijk wordt er een eigen netwerk van vazallen vetgemest in de kleptocratie die er is ontstaan.

De kring van begunstigde Hongaarse ondernemers rond Fidesz zou in een open markteconomie niet kunnen overleven, dat kunnen ze alleen maar als de staat hen direct financiert of als de staat met regelgeving een omgeving creeert, waarin de premies zonder problemen kunnen worden uitgeteld.

Inefficiente, langzame en slechte economische modellen bloeien in de verduisterbare sectoren, en dit wordt erger en erger.

Wanneer gaat de hoofdideoloog van Fidesz eens inzien, dat nu, jaren en jaren na de volledige krach van de “ballib” politieke infratructuur, er in dit land niets meer is wat geevenaard, gecompenseerd, ‘overstolen’ dient te worden? Dat ze met deze acties de nationale ondernemers in werkelijkheid kwaad doen en dat ze in de praktijk slechts types in stelling brengen – die niet alleen internationaal, maar zelfs nationaal geen enkele concurrentiepositie zouden kunnen innemen, maar wel – met hun geheel op stelen gefocusde, ideeloze instelling – allang een last van nationaal gewicht vertegenwoordigen?

De Hongaarse vuile was (achter de Panama Papers) – deel 1

Met dank aan / ©: 444.hu
© 444.hu

Vrijwel elke poging om in beeld te brengen wat er nu werkelijk met de geldstromen in Hongarije gebeurt, blijft een krachteloze krabbel aan de oppervlakte. De commotie rond de Panama Papers belooft op termijn een doorkijkje te geven aan de achterkant van het ongelijk, – maar hoe pak je zo’n draak nou aan de voorkant, bij zijn vele koppen?

– Moeten we op de loer gaan liggen in Felcsút?
– Moeten we alle aanbestedingen volgen van de Ministeries?
– De budgetten van alle 3000 gemeentes screenen?
– De winnaars van EU-gelden opsommen?
– De rapporten van OLAF filteren?
– De facebook-vrienden van Fidesz onderzoeken?
– De nummerborden van de luxe-suv’s in de suburbs verzamelen?

Er is bijna geen beginnen aan. Terwijl de hoofdvraag duidelijk is: in een land waar verpleegsters en dokters nog steeds tussen de 400 en 800 euro bruto mee naar huis nemen, waar werklozen en plein public voor twee keer minder dagelijks worden vernederd, in dat land, wie zijn dat toch die in al die zwembaden liggen, in de plaza’s shoppen, wie zijn dat die twee vluchten per dag naar Dubai kunnen vullen? Wie zijn dat en waarom zij?

Natuurlijk, er bestaan ook gewoon succesvolle ondernemers. Die hard werken, een betrouwbare reputatie opgebouwd hebben en goede spullen leveren voor een faire prijs. Dat in die hoek geld wordt verdient is wat anders.

Maar van het tegendeel – slechte vakmensen, veel te hoge prijzen, slechte reputatie / onverdiende opdrachten – daarvan hoor je helaas nog veel vaker. Of dat altijd letterlijk corruptie is, is vaak maar de vraag. OLAF zal er niet direct wakker van liggen zolang het niet uitdrukkelijk verboden is. Het LMP gelukkig wel: Of een pak papier van 300 pagina’s met lettertjes bedrukte pagina’s – voor het Tudás-Park project – in anderhalve maand samengesteld door een éénmansbedrijfje aan het Balatonmeer, nou echt 22,67 miljoen forint moet kosten? Dat lijkt in ieder geval stelen van gemeenschapsgeld.

Vandaag had 444.hu er ook weer eens genoeg van en kwam met een poging tot overzicht van de corruptie en andere verdachte geldzaken in het openbare leven van Hongarije.

Met hun toestemming hier de vertaling van dat artikel – eerste deel.

Nu maar hopen dat ze er iets / niets van leren.

————————————————————————————–

Waarom stelen ze toch zo ongelooflijk VEEL?

Door Kasnyik Márton

De laatste tijd zijn er zoveel gevallen van verduistering, dat er geen tijd meer overblijft om over andere dingen te schrijven. Banken, bouwbedrijven en projectontwikkelaars, onroerend goed, aanbestedingen voor media, communicatie en consultancy, sappige energiecontracten – allemaal komen ze openlijk of via een omweggetje terecht bij mensen uit de omgeving van belangrijke politici, onder aansturing van de regering. Er gaan dagen voorbij dat er wel vier, vijf van dergelijke miljardenzaken zijn waarover gerapporteerd dient te worden.

Vlak voor de val kon zelf de ethisch en vakinhoudelijk al aan lager wal geraakte MSZP van Gyurcsány Ferenc slechts dromen van plunderingen op een dergelijk grote schaal.

Deze boevenstreken zijn meestal in wettelijk opzicht moeilijk aanhangig te maken zaken (hoewel er wel eens dingen gebeuren die thuishoren in detective-verhalen, zoals bijvoorbeeld de honderd zakken baargeld van Tarsoly Csaba (Quaestor-zaak)

Er zijn speciale, legale of half-legale, methodes ontwikkeld om bedrijven en eigenaren die door de politiek zijn uitverkoren in positie te brengen, waarbij de aan hun doelen aangepaste wetgeving onbelemmerde winsten garandeert.

Er hoeft niet te worden geconcurreerd, er hoeft niet te worden gestreden om de sympathie van de consument of de klanten door goedkoper dan de concurrent betere diensten of producten aan te bieden. De regering zorgt overal voor. Als er al problemen opdoemen op het legale vlak, dan zorgen de instituten die door de partij openlijk zijn ingenomen (Openbaar Ministerie, Belastingsdienst, financiele toezichthouders, etc)dat de zaken netjes worden weggepoetst in plaats van onderzocht. Maar geen zorgen: er werken genoeg snelle advocaten in Boedapest die met hun goede adviezen er prima voor kunnen zorgen dat het nooit tot een rechtszaak zal komen!

Wat is erbijvoorbeeld gebeurd bij de kansspelen? De overheid heeft de gokautomaten verboden en vervolgens aan enkele dichtbij-staande personen het monopolie toegespeeld over het uitbaten van casino’s. En de gokbelasting verlaagd. De opbrengst voor de betrokkenen is enorm en gegarandeerd. Bij de tabak hetzelfde bekende verhaal. De verkooppunten zijn toegevallen aan personen die door de regering zijn uitgezicht, en wat de groothandel betreft krijgen de regeringsvrienden alle wind in de rug, die ze maar nodig hebben. En dit zijn geen uitzonderingen.

Waar komt toch die onstilbare honger naar dievengeld vandaan?

Corruptie is het hoofdbestandeel van de Fidesz-politiek

Vorige week heeft Lánczi András, een belangrijk ideoloog van Fidesz, iets gezegd waarbij de meesten slechts hun schouders zouden ophalen.  De gedachte past prima in de overkill aan cynische verklaringen, waarover verstandige mensen allang besloten hebben zich niet meer voor niets op te winden. Toch is het iets om even bij stil te staan.

Wat door sommigen corruptie wordt genoemd, is feitelijk het belangrijkste element van Fidesz politiek. Daar bedoel ik mee, dat de regering doelen heeft bepaald zoals de opbouw van de binnenlandse ondernemers en de opbouw van de basis voor een sterk Hongarije op het platteland en wat industrie betreft. Elke buitenlander die wil produceren en investeren, wordt met open armen ontvangen. En dan zeggen ze “Dat is corruptie!” Dat is een politiek standpunt: wat hier gebeurt is het mystificeren van het woord corruptie. (…) Het woord corruptie heeft 13, 14 verschillende betekenissen in de sociaalwetenschappen. Maar daar zit niet bij dat als men uit nationaal belang iets doet, dat dat dan meteen corruptie zou zijn.”

Een fantastische retorische vondst: het is een nationaal belang, dat bepaalde landgenoten zonder daadwerkelijke inzet miljarden in de schoot geworpen krijgen. Daarna: boem, corruptie en de versterking van de industrie zijn in feite hetzelfde, stel je voor! Hier werd trouwens ook nog door Lánczi aangegeven, dat men niet over Maffia-staat kon raten, want er zijn geen lijken: (“Wie is er vermoord, dat zou ik willen vragen!“)

Dus: als de oppositie of – in bredere zin – critici van de regering, deze regering betichten van corruptie – het misbruiken van een machtspositie met geldelijk gewin als doel – dan nemen ze die regering feitelijk haar essentiele punt van beleid kwalijk, volgens de voorzitter van de denktank Századvég. Het belangrijkste beleidsdoel van de regering is, tenslotte, het overbrengen van de beschikbare financiele middelen naar de groep van binnenlandse ondernemers, gepaard gaande met het aanpassen van de regels opdat die groep van ondernemers nog verder versterken zal. Daarbij snappen we allemaal wel, dat het beter is dat ze rustig kunnen stelen, dan dat er ook doden bij zouden vallen.

Kerényi Imre, een andere partij-intelectueel, heeft het zo mogelijk nog duidelijker onder woorden gebracht een paar weken geleden:

Maar dat is toch vanzelfsprekend, dat vrienden en familie deelnemen aan het economische leven en het politieke leven. Daarom is er die politieke strijd, welke groep controleert de bestaansmiddelen. (…) Waar gaat de politieke strijd om? Waarom? Om het bezitten van de hulpbronnen. Natuurlijk, dat de partij gunsten verleend aan haar aanhangers bij het benutten van de hulpbronnen. Laten we wel wezen: dat is de essentie van het hele gedoe.”

Lánczi en Kerényi brengen hier perfect onder woorden, wat er om ons heen gebeurt. Fidesz heeft lange jaren gewerkt aan een gesloten systeem dat als doel heeft, dat de socialisten worden overstolen.

Op de één of andere manier is dit geworteld in de psychose van de Fidesz-leiding, na de regime-wisseling (van 1989). Tot aan de perikelen rond het partijgebouw van Fidesz, in 1993, had de partij helemaal geen achterban als het ging om economie en media. Intussen overtuigden ze zichzelf – en vervolgens de helft van het land – dat de communisten zich het hele nationale vermogen hadden toegeigend. Toen deze overtuiging uitkirstaliseerde in politieke kapitaal van een twee-derde meerderheid, was dit allang achterhaald. De ‘achterban’ van de socialisten verdampte snel en bestond in feite niet – zonder voortdurende stroom geld bleef er niets van overeind. Nu heeft de partij niet eens meer een partijgebouw. Desalniettemin is de overtuiging van Fidesz en haar sympatisanten nog rotsvast wat betreft het gebruik van alle middelen om het vermogen dat de partij dekt nog toe te laten nemen.

Orbán Viktor zelf heeft ook verschillende keren gerepliceerd – als de oppositie kritiek had op het systeem van de oligarchen, met name op Simicska Lajos, (hier bijvoorbeeld, in 2012 door Karácsony Gergely toenmalig LMP vertegenwoordiger) – dat daar toch niets mis mee is, het positioneren van de nationale vermogensbeheerders? Jullie werken toch niet voor buitenlands grootkapitaal? Wie verder iets weet dat tegen de wet is, die zegt het maar tegen de justitie die er wel achteraan zal gaan! – zo meende Orbán.

Wordt vervolgd.

 

Always follow the money

SneeuwbalNatuurlijk is het niet echt sexy om zo vlak voor kerstavond met dit soort dingen bezig te zijn. Hadden ze het maar niet nu bekend moeten maken! Hoe dan ook: als Nieuwjaar eraankomt, moeten de rekeningen worden vereffend.

Het nieuws is de 60 miljard forint (190 miljoen Euro) aan EU steun waarover is besloten. Het gaat om het GINOP- programma voor economische ontwikkeling en innovatie tbv micro-, kleine en middelgrote ondernemingen.

De lijst met winnaars ligt niet echt op straat maar portfolio had een link naar een voorlopige opsomming. Het leuke is dat daar ook winnaars van eerdere rondes en van andere programma’s op te vinden zijn. Voer voor samenzweerders, natuurlijk! Als het waar is dat de regering corrupt is, dan moet het hier ergens staan, hier tussen de zwart op witte regels.

Op het eerste gezicht schommelen de meeste wat grotere gemeentes zo tussen 5 – 10 gehonoreerde aanvragen, met wisselende omvang van de bedragen: van 10 miljoen of minder voor representatiekosten tot 50-, 100- of hier en daar zelfs uitschieters tot 500 miljoen of meer voor daadwerkelijke investeringen. De provincie-hoofdsteden zitten meestal rond de 15-20 winnaars. Debrecen (ongeveer 35 subsidies) en Székesfehérvár (ongeveer 40) steken het verst boven het gemiddelde uit, zowel in aanvragen als in geld gemeten. Győr, Kecskemét en Nyíregyháza zitten er ook wel warmpjes bij. Pécs, Veszprém en Miskolc zitten comfortabel in de middenmoot. De rest – Szolnok, Eger, Nagykanizsa, Tatabanya, Szombathely en Zalaegerszeg – lijkt wat minder goed te scoren, ook als hun grootte in aanmerking wordt genomen. Van de niet-Fidesz gemeenten scoort met name Békéscsaba zeer belabberd met maar 2 gehonoreerde projecten, voor één en dezelfde firma (een drukker). Salgótarján (ook geen Fidesz) heeft er 8, merendeels kleintjes rond de 10 miljoen. Szeged (de 3e hoofdstad die niet in handen van Fidesz is) lijkt zich evenwel behoorlijk in de middenmoot te handhaven.

Wat kleinere stadjes, dan: Hódmezővásárhely, thuisbasis van Lázár János, boert goed. Er zijn 13 winnaars. Het is ook wel een aardig grote plaats – 50.000 inwoners – maar dat zijn de sommen die ernaartoe gaan ook: meestal wel boven de doorsnee van ongeveer 30-60 miljoen.

De gemeentes rond Budapest – Vác, Dunakeszi, Ráckeve, Százhallombata, Gödöllő, Sülysáp, Monor, etc vallen consequent buiten de boot, waarschijnlijk staat er in de voorwaarden iets als ‘geen aanvragen uit Centraal Hongarije mogelijk’, of zo. Desalniettemin behoren enkele van deze gemeentes toch zeker tot de “inner-periferie”. Bicske, net over de grens met Fehér, heeft 4 projecten zien goedkeuren.

Zoals bekend zijn er maar enkele gemeentes in het land waar Fidesz niet de burgemeester heeft geleverd. Die lijken inderdaad minder succes te hebben gehad: Siklos 1, Edelény 1 (en dan nog riolering – geen GINAP, niet eens ontwikkeling), Oroszlány: 1 (maar wel groot), Kiskunmajsa: 1, Tiszavasvári: 3, waarvan 2 voor dezelfde indiener; Tapolca: 1; Dombóvár: 2; Ózd: 4. Het zijn vaak maar plaatsjes van 10-20.000 inwoners maar wel vaak plaatsen die het extra hard nodig hebben.

Nagyatád aan de andere kant, is ook een geval apart. Hier zit een onafhankelijke burgemeester maar wel ééntje die ruzie maakt met de baas van Somogyért, de regionale belangenpartij. Die baas was ooit minister onder de MSZP. Het bedrijf dat twee nette bedragen binnen heeft gehaald, staat op al langer zijn rondjes op de pr-rol van Fidesz: een gereedschappenleverancier waarvan de EU + regering al eerder 11 aanvragen heeft gehonoreerd, waaronder een productiehal van 270 miljoen forint. Er werken 240 mensen, da’s natuurlijk niet niets.

Alles bij elkaar is het wat het altijd is, met statistieken: je kunt er vanalles in lezen en mee verklaren. En natuurlijk zijn er ook tegenvoorbeelden, zoals Szarvas, waar een hele fijne Fidesz burgemeester zit maar waar toch geen enkel project is goedgekeurd. Ontegenzeggelijk verdient het thema nader onderzoek of op zijn minst een overzichtelijke presentatie. Een uitsplitsing naar achtergebleven gebieden, om maar wat te noemen, zou zeer waarschijnlijk aan het licht brengen dat die nu nog verder zullen achterblijven.

Maar: het is een feit dat nergens in de lijst staat, dat ‘dit geld is toegekend omdat betrokkene een zwager is van die of die’.

En daar houden we het even op.

 

 

 

De brutalen hebben de halve wereld (nog wel!)

visegrad kasteelEr is een zeer integer rapport verschenen. Van zeer integere mensen, die bij een nog integerder organisatie werken. Het rapport gaat over vertrouwen. Politiek vertrouwen. In Europa. Maar ook in Hongarije.

This study summarizes the findings of Political Capital’s research on the nature and tendencies of political trust. Trust is a phenomenon with many facets. It is hectic and stable at the same time, depending on geography and the object of trust. While a certain level of trust is inevitable for a well-functioning society, mistrust is also necessary: healthy democracies are based on a fine balance between trust and mistrust. However, the balance seems to have tipped and distrust has become dominant in Europe. As a consequence, we can observe a growing influence of conspiracy theories. Besides the in-depth analysis of these topics, the study also contains recommendations on how to build and strengthen trust.

Zo ongeveer, dus.

Ik had bijna hetzelfde gevoel in mijn buik, bij het lezen hiervan, als bij het lezen van Hadewijch.

Ic en mach minnen noch laten.

Zou het echt waar zijn?

Zouden er echt een miljoen Hongaren zijn, die wel degelijk weten wat voor land ze willen, maar die geen partij kunnen vinden om op te stemmen?

Zou tot dan de enige hoop werkelijk gelegen zijn in al die losse vingertjes – van de pers, van toegewijde pedagogen, van zorgvuldige medici, van waakzame burgers, enzovoorts – die nu nog dag in, dag uit, de dijk ingaan?

Deze vinger is, helaas, geknakt:

……

(dramatisch tromgeroffel)

vandaags nieuwste:

In het wetsvoorstel “Az egyes törvényeknek a Nemzeti Adó- és Vámhivatal átalakításával, valamint a költségvetési tervezéssel és gazdálkodással kapcsolatos módosításáról” (wijzigingen in enige wetten in verband met de herzieningen van de belastingdienst en planning van en bewindvoering over de begroting) – afgelopen maandag ingediend, gisteren (dinsdag) aangenomen – zijn zo’n dertig aanpalende wetten aangepast. In aanmerking genomen dat er één dag was om de 58 pagina’s te bestuderen – het is blijkbaar hard werken in een democratie – zou je haast denken dat het om een hamerstuk zou moeten gaan.

….

Eén van de vele te wijzigen stukjes tekst is iets in de wet op openbare aanbestedingen, waar nu ‘in plaats van punt “2” komt te staan: “met de in a-i aangeduide persoon in gezamenlijk huishouden levend.” ‘

Waarmee het in een klap mogelijk is geworden voor broers, zusters, kinderen, zwagers, schoonzussen en allerlei andere familie van een trits hoge ambtenaren (belastingdienst, Bureau Statistiek, rechtelijke machten, autoriteit voor mededinging, autoriteit voor openbare aanbesteding, – plus natuurlijk de usual politici: president, premier, kamervoorzitter, en de vices en de ministers, om aan alle openbare aanbestedingen mee te doen waarvan ze tot nu toe waren uitgesloten vanwege het gevaar op belangenverstrengeling.

Oh ja: Ingaand met terugwerkende kracht op 1 november 2015, dus iemand van bovengenoemde personen was al begonnen.

Wie houdt hier nou wie voor de gek? En hoe?