Tag Archives: Wilders

Peptalk: Argumentum ex silentio

ongersman.nlAls het goed is zitten we op dit moment alweer in de nadagen van het klassieke postmodernisme, maar nog even voor de weinig concrete posthumane samenleving. Deze overgang biedt behalve de voorstelbare barensweeen van een hoe dan ook positieve verandering – postmodernisme was vooral erg veel niet of niet meer – ook de enorme opgave om het gezamenlijke begrippenkader en, in bredere context, ons complete expressieve bestaan tussen wens, wil en weeromstuit van binnenuit te herzien om een ander soort dialoog (foei!) te smeden (…) waar geijkte (auw!) vormen van gelijk (?) kunnen floreren. Of het gebrek eraan.

Zo moeilijk lijkt dit niet. Of wel? Natuurlijk hebben exponenten van het postmodernisme al decennialang geprobeerd om dit project – deconstructie en andere taalspelletjes voor gevorderden – aan te vangen. Met wisselend succes. Ikzelf heb nog steeds maar één manier om, ongeacht koortsdroom of migraine, een kopje melk te vragen aan mijn buurvrouw. Hoe ze reageert is weer een ander punt.

Politiek is echter overal.

Feit 1: Tieners in Engeland slaan een Poolse gastarbeider dood omdat hij een Poolse gastarbeider is.

Feit 2: Wilders staat in Heel Europa op de voorpagina’s met zijn anti-moslim boodschap, anti-vluchtelingenboodschap en anti-EU boodschap.

Feit 3: De ridderorde die pedagoog László Trencsényi in 2009 gekregen had, wordt door hem op de trappen van het Hongaarse parlement gegooid met de verklaring:

“A kereszt, amelyik a kegyelem és az áldozathozatal jelképe, Áder, Orbán és Bayer Zsolt szájából a megtorlás és a kegyetlenség heródesi jelképévé vált.”

Het kruis, dat het symbool is van genade en offerbereidheid, is uit de mond van Áder, Orbán en Bayer verworden tot het symbool van repressie en wreedheid a la Herodes.

Twee voorbeelden van een geinverteerde samenleving en één van een inadequate reactie daarop.

Ja, kom d’r maar in, Albert, bedankt!

Einstein ongersman.nlHet program van Wilders is natuurlijk ‘eng’, maar nou ook weer niet zo ‘eng’. Wat ik er nog van weet is dat een politiek program in Nederland een idealistische, visionaire toestand voorstelde die de betreffende partij zou willen verwezenlijken als ze het min of meer alleen voor het zeggen zouden hebben. Waarop je – als kiezer – kunt rekenen dat ze die toestand diep vanbinnen als een ideale samenleving zien, – waarbij de vertegenwoordiging van minderheidsbelangen voor iedereen een conditio sine qua non vormt. Hoe anachronistisch ook, in een gewaarborgde parlementaire democratie heeft elke partij wel rare dingen. Of had, in ieder geval.

In het huidige tijdsgewricht is het geval van PVV dus opmerkelijk, want iets zegt me dat de programma’s van PvdA en CDA, als die al als zodanig herkenbaar zijn, nog maar weinig zullen lijken op, respectievelijk, hun ‘gelijkheid voor iedereen’ en ‘God voor allen’ beginselen uit de jaren zeventig en tachtig.

Maar goed. In Hongarije denken ze bij partijprogramma’s, godbeterd, meer aan vijfjarenplannen. Als ik aan de macht kom, is dit het eerste wat er gaat gebeuren, dit het tweede, en zo verder. De ‘modernistische’ taal van het politiek program – bedoeld om wakker te schudden en te enthousiasmeren voor de langere termijn – lijkt door Wilders dus met succes opgevoerd. Die stoom moet er in ieder geval uit. Wat ervan overblijft is een ander verhaal.

Maar ik denk zelf dat het anders is, dan de meerderheidsposities die Fidesz zich heeft weten te verwerven en die ze nu tot op het bot weet uit te benen.

Het ene populisme is het ander niet. Populisme in de ‘oude’ democratien van Europa is succesvol omdat het leentjebuur is gaan spelen bij vigilantisme. Dat is het verschijnsel dat burgers zich ‘oplettend ende stoutmoedigh’ zijn gaan opstellen tegenover de grote boze buitenwereld. Aangemoedigd door computerspelletjes, zombiefilms, survival-weekeindjes en zelfverdedigingscursussen, heeft het individu invulling gegeven aan het postmoderne morele laagtij. Als volgt:

    • de grote verhalen-samenlevingen storten in;
    • bij gebrek aan oude structuren, waaronder familie, politie en ‘kasten’, grijpen doorsnee opportunisten en boefjes hun kans om aan de haal te gaan met hun eigen levens en hun omgeving;
    • of in ieder geval lijken die kans te grijpen omdat de berichtgeving andere accenten legt – niet meer de status quo handhaven en sussen wat gebruikelijk was in de verzorgingsmaatschappij maar de vraag bedienen en dus sensatie leveren;
    • de angst bij de burgerij groeit, over de teloorgang van respect en fatsoen heen, en culmineert in een belevingswereld waar het gelijk ver te zoeken lijkt terwijl het gevaar overal opduikt;
    • besef: het eigen gelijk is er nog
    • reactie: verwante gelijken vinden elkaar en stichten groepjes van vigilante burgers, die in hun rol als kiezer, blogger, burger, ouder en zo verder zelf in het gat springen waarin de gezamenlijke waarden en normen waren opgedroogd
    • waarbij ze vaak niet inzien dat het eigen gelijk meestal vrij ruw van aard is en dus snel schuurt met dat van anderen.

Reaguurders hebben hun eigen spiegelbeeld ontdekt, hun eigen impact bespeurd en geconstateerd dat de politiek, de sterke arm en zelfs de rechter begrip voor ze moet hebben, of bang voor ze kan zijn. Andersom is dat natuurlijk allang niet meer zo, want het sociaal contract wat we met elkaar hebben afgesloten heeft sinds het postmodernisme alle kenmerken van een voortdurende reeks offertes – eenzijdig en te ver onder de prijs – van ambierende machthebbers.

De diversifiering van de definitiemacht is in zichzelf geen slechte ontwikkeling. De druk die hiermee op de schouders van het traditionele journaille wordt gelegd, is echter enorm. Als je huiskrant of -journaal niet vertelt wat je horen wilt, en zoals je het horen wilt, dan surf, flip of zap je gewoon naar een ander. Met als uiterste consequentie de obscure hoekjes, die op internet uitzwellen tot enorme gevaren.

Hoe daarop te reageren, dus. Niet door nog harder te gaan betuttelen en bagataliseren. Niet door vliegen af te vangen en het gelijk te claimen van de democratische loser. Niet door honend op fouten te wijzen en superieur in de boom te blijven zitten. Niet door paternalistisch het wel even aan te zien om als het fout gaat of ze er niet meer uitkomen, het roer minzaam weer over te nemen vanuit de eeuwige gelijk van de eigen wijsheid.

Goedbeschouwd is de linkerflank van het politieke spectrum – in ieder geval in Hongarije – de conservatieve, behoudende kant geworden. Ook al weten we dat het niet haalbaar is, dat er discrepantie is tussen wens en uitvoering, toch willen we vasthouden aan zekere normen en fatsoen. We zijn bang, dat als ook wij uit onze onderbuik gaan spreken, we de controle verliezen. We zijn dus feitelijk behoudender en angstiger dan rechts.

Zou het?

Hoewel Herodus een wrede koning is geweest, heeft de kindermoord op de baby’s van Betlehem – waar iedereen hem van kent – waarschijnlijk nooit plaatsgevonden. Dus wat voor argument was dat eigenlijk, van die Trencsényi?